Ontstaansgeschiedenis van bodem en landschap in het Groene Hart

Gepubliceerd op 3/1/2009, 14:17 door Ivo. Laatste wijziging: 3/1/2009, 11:22

Omstreeks 2000 voor Christus had zich voor de kust van West-Nederland een aaneengesloten duinenrij gevormd. Achter die kustlijn ontstond toen een omvangrijk zoetwatermoeras, waarin veenvorming optrad. Dit zogenaamde Holland-veen, dat op oude zeeklei (zogenaamde afzetting van Calais) ligt, bleef doorgroeien. Hierdoor werd West-Nederland een uitgestrekte moerassige wildernis. Rivieren, zoals de Oude Rijn, zochten door dit veengebied een weg naar zee. Door regelmatige overstromingen werd dicht bij de rivier op de oeverwal zandig materiaal afgezet. Verder van de rivier af kwamen de lichtere kleideeltjes op het veen tot bezinking.

Behalve rivieren kwamen in het moerassige veengebied ook natuurlijke meren voor, onder andere het Braassemermeer. Door afkalving van de oevers werden deze meren steeds groter.

Ontginning van het veengebied

In de periode 1.000 tot 1.400 na Christus begon men met het systematisch ontginnen van het moeilijk toegankelijke veengebied van West-Nederland. De graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht gaven stukken wildernis als cope uit aan kolonisten. De mensen vestigden zich langs de oevers van de Oude Rijn, of langs veenstroompjes en vandaar werd het grondbezit achterwaarts uitgebreid volgens een strak verkavelingspatroon. Dit patroon is nu nog steeds terug te vinden in het landschap. Namen hiervoor zijn cope-landschap of slagen-landschap.

image

Hierboven een luchtfoto van Google Maps waarop deze strokenverkaveling te zien is. Het betreft hier de verkaveling ten oosten van de Meije

Het doel van deze ontginningen was om landbouwgrond te verkrijgen om de groeiende bevolking te kunnen voeden. Daarom werd de oorspronkelijke bosvegetatie langs de rivieren en de veenstroompjes door de kolonisten gekapt.

Door latere generaties werden nieuwe ontginningen begonnen in verder van de river af gelegen hogere mosveengebieden. De nederzettingen die zo ontstonden kregen vaak "veen"-namen.

Ontginning van de veenwildernis hield ook in dat er sloten werden gegraven om de wateroverlast te verminderen. De sloten kwamen meestal uit op een gegraven wetering, die op haar beurt weer in verbinding stond met de rivier. Als gevolg van de ontwatering begon het veen in te klinken. Als gevolg daarvan liggen de vroegere hoge veengebieden tegenwoordig 1 à 1,5 meter onder NAP.

Veen wordt turf

image

Een molengang

BRON: Van Nul tot Nu, deel 2

Het ontginnen en in cultuur brengen van de veengebieden in West-Nederland was eind 14e eeuw goeddeels voltoid. Een eeuw later kwam er door de opkomst van steden een grote vraag naar turf als brandstof. Hierop begon met op ruime schaal veen af te graven. Hierdoor ontstonden aanzienlijke wateroppervlakten (plassen), die bij storm en hoog water een bedreiging vormden voor het omringende land. Met behulp van verbeterde bemalingstechnieken, en vooral door het invoeren van de molengang, was men echter in staat om de veenplassen droog te leggen. Door deze droogleggingen deden diep gelegen droogmakerijen hun intrede in het hollandse veengebied.

Het landschap nu

Op veel plekken in het Groene Hart lijkt het alsof de tijd er stil heeft gestaan. Het landschap is er nauwelijks veranderd - langs de oeverwallen vind men lintbebouwing met opgaand geboomte, in de polders er achter vind met weilanden in langgerekte stroken, en molens die de polders drooghouden. Dit kenmerkende polderlandschap verschilt niet veel van het landschapsbeeld zoals dat er enkele eeuwen geleden al uit moet hebben gezien.

Natuurlijk is het helaas wel zo dat de moderne tijd ook in het Groene Hart steeds verder oprukt, denk maar aan nieuwbouwwijken, grote bedrijfsgebouwen en infrastructuur, die een steeds dominantere invloed hebben op het landschap.